Loading...

Een subtiel, maar niet onschuldig staaltje vertekening in de praktijk (deel II)

Voor alle duidelijkheid, ik ben opgegroeid in een politiek groen nest. Dat betekent dat ik een positief mensbeeld met de gulle paplepel naar binnen kreeg gekieperd. Mensen kunnen veranderen als de samenleving maar geeft wat ze nodig hebben. Met het ouder worden ontmoette ik mensen met een andere politieke achtergrond, mensen die met de hakken in het zand denken. Neen, de huidige samenleving is meer dan oké. We moeten ze beschermen. Iedereen draagt de verantwoordelijkheid om er zelf iets positiefs van te bakken. Als dat niet lukt, dan heb je niet hard genoeg je best gedaan. Met heel veel onderlinge discussies, die we altijd trachtten te onderbouwen met feiten, leerden we dat we met onze politieke grondstructuur de vertekening in elkaars politieke grondstructuur blootlegden. Eenvoudigweg omdat beide standpunten in specifieke situaties waar zijn en in andere specifieke situaties onwaar zijn. Maar geïsoleerd zorgt een politieke grondstructuur voor een selectieve waarneming van de werkelijkheid. Vertekening heet dat, …  het is blijkbaar een ernstig probleem waar iedereen last van heeft.

[geïsoleerd zorgt een politieke grondstructuur voor een selectieve waarneming van de werkelijkheid. Vertekening heet dat, …]

In De Morgen van 28 augustus 2017 las ik het opiniestuk met de titel “Tijd dat ons land echt onderzoekt wat er misloopt in onze samenleving”, van Koert Debeuf, directeur van The Tahrir Institute for Middle East Policy en verbonden als professor aan de universiteit van Oxford. Een man met een echte carrière dus en bovendien een carrière die praktijk en wetenschap met elkaar verbindt. Maar, als gediplomeerd filosoof lig ik onmiddellijk op vinkenslag als iemand het bijvoeglijk naamwoord echt in de mond neemt. Wat is echt? En is het bijvoeglijk naamwoord echt niet vatbaar voor een politieke en morele vertekening? Het antwoord op deze vraag heeft verregaande consequenties en niet op zijn minst sociale en maatschappelijke consequenties waar we momenteel mee lijken te worstelen: politieke en religieuze polarisatie.

[En is het bijvoeglijk naamwoord echt niet vatbaar voor een politieke en morele vertekening?]

Het ligt zeker niet aan de wetenschappelijke onderbouwing van het betoog van Debeuf. Hij verwijst naar internationale onderzoeken die de mechanismes achter het veelbesproken Jihadisme blootleggen. België ontbreekt dergelijk kwaliteitsvol onderzoek, desondanks dat wij het hoogst aantal Jihadisten per capita van de Westerse wereld hebben. Wat leert het onderzoek? Religiositeit, een gebrekkige opleiding en werkloosheid zijn niet de factoren die Jihadisme in de hand werken, maar wel onvervulde ambities, slachtoffer zijn van een onrechtvaardige behandeling en het gevoel niet aanvaard te worden. Om hun gefnuikte eigenwaarde te compenseren stappen Jihadisten in spe in de criminaliteit en het Jihadisme wordt, als ze de juiste man op de juiste plaats tegenkomen, een rechtstreekse rit naar het heldendom. Met andere woorden, met het Jihadisme compenseren Jihadisten opgestapelde frustraties. Op zich klinkt deze analyse me als muziek in de oren omdat mijn politieke grondstructuur, warempel, wetenschappelijk wordt bevestigd met dit internationaal onderzoek.

[Op zich klinkt deze analyse me als muziek in de oren omdat mijn politieke grondstructuur, warempel, wetenschappelijk wordt bevestigd met dit internationaal onderzoek]

En toch bezorgde de argumentatie mij een gevoel van onbestemd onbehagen. Het venijn zit hem in de kop en de staart van het opiniestuk. Namelijk in de titel “Tijd dat ons land onderzoekt wat er echt misloopt in onze samenleving” en in één adem wordt er aan toegevoegd dat het nieuws over zes geradicaliseerde kleuters non-nieuws is. Dat is wat mij betreft geen onschuldig retorisch manoeuvre. Is het probleem van de geradicaliseerde kleuters echt? Om te beginnen kunnen we moeilijk discussiëren over het bestaan van het fenomeen aangezien het fenomeen door concrete leerkrachten als een probleem in hun werk wordt ervaren. Bovendien troostten ze zich de moeite om hun probleem aan de grote klok te hangen. Daarnaast moeten we toegeven dat de gebaren en de handelingen van de bewuste kleuters, zoals de leerkrachten rapporteren, indicaties van radicalisering zijn. Met andere woorden, “de kleuters zijn geradicaliseerd” is een valabele hypothese. Een grondiger onderzoek van de thuissituatie van de kleuters en het gedrag van de kleuters zou ons nog meer informatie geven om deze hypothese, op zijn minst, te toetsen. Met andere woorden, het probleem is echt in de ontologische (het is) en de epistemologische (met een zekere graad gerechtvaardigd) betekenis van het woord. Daar moet Debeuf sowieso bakzeil halen, maar ik vrees dat het bijvoeglijk naamwoord echt geen ontologische en geen epistemologische inhoud heeft, maar wel een morele inhoud. En daar ligt het hart van de vertekening.

[… ik vrees dat het bijvoeglijk naamwoord echt geen ontologische en geen epistemologische inhoud heeft, maar wel een morele inhoud. En daar ligt het hart van de vertekening.]

Een morele uitspraak is een uitspraak over wat iemand belangrijk vindt en geen uitspraak over wat het geval is of wat erover geweten is. Het standpunt van Debeuf is een standpunt over wat hij belangrijk vindt. Dat is zijn goed recht, maar er hangt een kwalijk luchtje boven de opinie als ontologische en epistemologische argumenten worden gebruikt om een eigen geveld waardeoordeel rationeel te verpakken. Zoiets heeft een naam, post hoc rationalisatie. Men voelt een emotionele afkeer als reactie op het debacle van de geradicaliseerde kleuters en het wetenschappelijk onderzoek wordt gebruikt om de afkeer rationeel kracht bij te zetten. Op zich zou dit geen probleem mogen zijn, ware het niet dat men met een dergelijke uitspraak problemen, zoals de geradicaliseerde kleuters, onmiddellijk catalogiseert als onecht. Voor de leerkrachten is het probleem zo echt als het maar kan zijn!

[Voor de leerkrachten is het probleem zo echt als het maar kan zijn.]

Het is een voorkomend probleem, met wetenschappelijk onderzoek of andere statistieken, verdwijnen lokale en kleinere problemen onder de radar en worden ze op basis van een eigen politieke morele grondstructuur afgeschilderd als onecht of onbelangrijk. De statistieken en het wetenschappelijk onderzoek zijn de strik om het verhaal, niet de inhoud. Het probleem is analoog aan Dirk De Vis, de burgervader van het Limburgse Ham, die wel belangrijkere dingen aan het hoofd had dan het aanpakken van het exhibitionisme op het grondgebied van Ham. Per slot van rekening leven we met terreurniveau 3. Zie: https://www.facebook.com/bart.libbrecht.7/posts/1421506061237102 De vertekening is analoog. In het geval van Lebeuf gaat het over een politiek linkse vertekening en in het geval van Dirk De Vis is het eerder een politiek rechtse vertekening. Maar vormelijk vallen ze volledig samen.

[De wetenschappelijke onderzoeken en de statistieken zijn de strik om het verhaal, niet de inhoud.]

Moeten we dan elkaar hier en daar geen vertekening gunnen? Wel, ik ben de persoonlijke mening toegedaan dat het detecteren en aanpakken van onze eigen morele politieke vertekeningen en de post hoc rationalisaties die eruit volgen de vaardigheden van de 21ste eeuw zullen worden. En dat in onze gewone relaties, maar ook in de manier waarop we kijken naar mensen met een andere politieke en religieuze voorkeur. En vooral de problemen die zij belangrijk vinden. Want omwille van hun politieke en morele grondstructuur zullen ze andere problemen onderkennen en willen aanpakken. Als onze intelligentsia er zich ook aan bezondigen, dan zijn we blijkbaar nog lang niet thuis.

[Ik heb het gevoel dat er “links” wordt geknipt en “rechts” wordt geplakt. Zo blijven we bezig.]

Er zit potverdorie een cynische twist in deze situatie. Door de echtheid van de geradicaliseerde kleuters niet te onderkennen denkt Debeuf in het verlengde van zijn eigen morele politieke grondstructuur (ook de mijne trouwens), maar frustreert hij concrete mensen die in hun dagelijks leven het probleem wel moeten onderkennen omdat ze ermee worden geconfronteerd. En als dergelijke frustraties zich blijven opstapelen ontstaat er een gevoel van onrechtvaardigheid, een gefnuikt gevoel van eigenwaarde omdat men niet gehoord wordt en als dan de juiste man of vrouw het juiste radicale politieke voorstel doet zullen ze voor hem of haar stemmen. Ik heb het gevoel dat er iets “links” wordt geknipt en “rechts” wordt geplakt. Zo blijven we bezig.

 

Bart Libbrecht, 2 september 2017

By |2017-09-09T14:07:48+00:00september 2nd, 2017|Blog|Reacties uitgeschakeld voor Een subtiel, maar niet onschuldig staaltje vertekening in de praktijk (deel II)