Dat vreemde ding “motivatie” genaamd

De cirkel

Hulpverlening heeft pas zin als de cliënt intrinsiek gemotiveerd is. Zo krijgen hulpverleners het met de spreekwoordelijke paplepel naar binnen gelepeld. Bovendien toont de dagdagelijkse hulpverleningspraktijk aan dat dit ook klopt. Hulpverlenen aan niet-gemotiveerde cliënten heeft iets cynisch, het voelt aan als vechten tegen de bierkaai. Zowel de cliënt als de hulpverleners lijken hun kostbare tijd te verliezen in een energie rovend en frustrerend proces. Het woord “weerstand” valt dan als schaduwzijde van de intrinsieke motivatie die ontbreekt. Hulpverlening wordt contraproductief en hulpverleners gaan op zoek naar andere manieren om de cliënt tot verandering te bewegen. Er worden argumenten gebruikt in de stijl van: “Als … niet gebeurt dan…”. En wordt er verwezen naar de “volgende stap” in de vorm van hulpverlening die als maar minder vrijwillig is. In verschillende rondes wordt er getoetst of de cliënt nog kan meestappen in de voorgestelde hulpverlening. Veelal is “ja” het antwoord omdat de cliënt meer gedwongen hulpverlening wilt vermijden. Deze constellatie is nefast omdat het een situatie van cognitieve dissonantie is omdat de cliënt “ja” zegt, maar in wezen “neen” wilt zeggen om meer dwang te vermijden. Dus zegt hij maar “ja” om erger te vermijden. Uiteindelijk komt de dwang er toch omdat de hulpverlening gebaseerd is op extrinsieke motivatie (van buitenaf) en geen intrinsieke motivatie (van binnenuit). Er komen kabinetsbesprekingen op het bureau van de Jeugdrechter als de laatste metaforische “stok achter de deur”. In de hoop de cliënt tot rede te brengen. Waarmee de laatste gram intrinsieke motivatie uit de cliënt wordt geranseld en de cliënt en de hulpverlener met elkaar zitten opgescheept in een schijnalliantie. Of, dat is er het andere scenario, de hulpverlening evolueert naar een voorwaardelijke hulpverlening waarin wordt gewerkt aan de relatie tussen de cliënt en de hulpverleners. Cliënt en hulpverleners zijn vriendelijk voor elkaar in de hoop dat na verloop van tijd er motivatie ontstaat om écht aan de slag te gaan met de doelen die ertoe doen. Maar iedere maal dat de hulpverleners de nodige doelen bespreken bouwt de cliënt afstand in waardoor de hulpverleners gas terugnemen. Er ontstaat een vermijdende hulpverlening die vooral bezig is met het opbouwen van dé heilige relatie en veel minder met het aanpakken van de problemen. Het gevolg is veelal een dubbel communicatiecircuit waarin in het bijzijn van de cliënt met de fluwelen handschoen wordt gewerkt en gesproken. En op het niveau van de hulpverlening wordt steeds meer de vraag gesteld of het “zo wel verder kan”. Na verloop van tijd trekt iemand dan toch aan de alarmbel en wordt er alsnog met dwang ingegrepen. Beide scenario’s zijn bijzonder contraproductief.

Uit deze impasse?

Is het mogelijk om uit deze impasse te geraken en de valkuil van “de stok achter de deur” te vermijden? Het antwoord is “ja” en met (1) wat inzicht, (2) motivatie en (3) vaardigheid is iedere hulpverlener in staat om de valkuil te vermijden. De sleutel ligt in het opbouwen van inzicht over wat de mens in essentie is: “Een wezen dat er op gericht is om zich staande te houden/ te overleven in een complexe werkelijkheid.” De manier waarop dit gebeurt heeft weinig te maken met het gebruiken van het verstand of de ratio. Het zijn emoties/ gevoelens die mensen de weg wijzen naar situaties die te verkiezen of te vermijden zijn in functie van het overleven van diezelfde mensen. Het gedrag van mensen is, eenvoudigweg, erop gericht om positieve emoties te pakken te krijgen en negatieve emoties te vermijden. Met andere woorden, als een cliënt hulpverlening weigert of weerstand vertoont zal er aan het hulpverleningsvoorstel een negatieve emotie gekoppeld worden die hij tracht te vermijden. Het hulpverleningsvoorstel creëert stress, een spanning. Vandaar dat het aanvaarden van het hulpverleningsvoorstel gelijk staat aan “emotionele zelfbeschadiging”. Althans in de psychische wereld van de cliënt. Kunnen we de cliënt dit kwalijk nemen? Ik denk het niet. Al doet dit geen afbreuk aan de kwaliteit van het hulpverleningsvoorstel, maar zegt het alles over de manier waarop het brein van de cliënt het hulpverleningsvoorstel onbewust interpreteert. Met andere woorden, we kunnen de problematiek van de intrinsieke motivatie en weerstand niet begrijpen zonder in grote lijnen te begrijpen waarom het brein van de cliënt reageert met een gedrag in de vorm van weerstand of een gebrek aan intrinsieke motivatie.

Het brein

Het brein is geen orgaan dat zich primair bezighoudt met het zoeken naar wat in de objectieve en neutrale betekenis van het woord de beste oplossing is voor een probleem. Integendeel, het zal zoeken naar een zo efficiënt mogelijke manier om zich staande te houden in een complexe werkelijkheid. En dat doet het door te leren uit vroegere ervaringen. Het leren vertrekt niet vanuit een objectieve analyse en reactie vanuit de situatie waarin het probleem zich stelt, maar vertrekt vanuit de emotie die gekoppeld wordt aan die situatie. Met andere woorden, het is niet de inhoud van de situatie die het gedrag van de cliënt stuurt, maar de emotie die aan de situatie wordt gekoppeld. Dat zijn twee verschillende zaken. En die emoties zijn gekoppeld aan wat de cliënt heeft geleerd uit de eigen ontwikkelingsgeschiedenis. Ik geef een concreet voorbeeld. Iemand die gedurende de eigen ontwikkelingsgeschiedenis wordt geconfronteerd met mensen die zijn vertrouwen beschamen zal geraakt worden met negatieve emoties in die situaties waarin het vertrouwen wordt beschaamd. Situatie en emotie worden aan elkaar geplakt in de ervaring. Het brein zal naar de toekomst toe dergelijke negatieve emoties willen vermijden en dus de noodzakelijke lessen trekken uit deze situaties. Deze lessen worden diep verankerd in het brein in de vorm van een cognitie: “Andere mensen zijn niet te vertrouwen en ik moet me tegen deze mensen beschermen!”. De persoon zal wantrouwig zijn en met zijn gedrag afstand in bouwen ten aanzien van andere mensen om opnieuw niet gekwetst te worden. Dit heeft consequenties, want het brein van deze man of vrouw zal proberen te anticiperen op toekomstige situaties waarin het vertrouwen misschien zal beschaamd worden. Misschien en niet zeker. Vandaar dat deze persoon met zijn gedrag afstand zal inbouwen en moeilijk toegankelijk zal zijn voor toekomstige mensen waarmee hij relaties zou moeten aanknopen. Ook een hulpverleningsrelatie. Het gedrag is vermijdend. En daar wordt het cynisch. Het brein kan alleen vermijden door de waarneming te vertekenen en op zoek te gaan naar signalen van situaties waarin het vertrouwen zou kunnen beschaamd worden. Met andere woorden, de persoon is niet meer in staat om ontvankelijk te zijn voor situaties waarin het vertrouwen niet wordt beschaamd. Iedere maal dat de persoon met een stresserende situatie wordt geconfronteerd zal het brein de situatie interpreteren als “mijn vertrouwen zal beschaamd worden” dus ik zal mijn vermijdende gedragsstrategie toepassen, namelijk afstand inbouwen. En aangezien dat hulpverlening gepaard gaat met veranderingsstress zal ook het brein van onze cliënt de hulpverleningssituatie interpreteren als “mijn vertrouwen zal beschaamd worden”, … dus ik zal mijn vermijdende gedragsstrategie toepassen door afstand in te bouwen en de hulpverlener geen toegang te geven. De drieste moraal van het verhaal is dat een gebrekkige intrinsieke motivatie en weerstand het resultaat zijn van een leergeschiedenis waarin de cliënt geleerd heeft om met een specifiek gedrag negatieve emoties te vermijden. En als hij niet gemotiveerd is, dan heeft dit alles te maken met het feit dat hij de negatieve emotie, die gepaard gaat met de hulpverlening, tracht te vermijden omdat hij hulpverlening interpreteert binnen het kader van de lessen die zijn brein trok uit een pijnlijk verleden. Dat heeft niets te maken met hulpverlening op zich, maar alles met de geschiedenis van de cliënt. Het is emotioneel logisch, maar niet verstandig, dat de cliënt weerstand opbouwt. Al heeft de situatie een cynische staart. Uit emotionele zelfbescherming zal de cliënt weerstand opbouwen ten aanzien van hulpverlening waardoor hulpverlening weinig resultaat zal boeken en de “stok achter de deur” steeds dichterbij komt. Uiteindelijk wordt er dwang gebruikt waardoor de les van het brein “anderen beschamen het vertrouwen” wordt herbevestigd. De geschiedenis herhaalt zich. Of, dat is de tweede optie, de hulpverleners zullen met de fluwelen handschoenen aan een vertrouwensrelatie trachten op te bouwen. Maar iedere maal dat er resultaten geboekt moeten worden, onder druk van de samenleving, zal de cliënt afstand inbouwen waardoor de hulpverleners gas moeten terugnemen. En dan mist de hulpverlening slagkracht waardoor de “stok achter de deur”  alsnog dreigt. In beide gevallen is de hulpverlening contraproductief. Is er een uitweg uit deze situatie? Het antwoord is zondermeer “ja”. Met grove steken zal ik de strategie uit de doeken doen.

Stap 1: inzicht

Iedere verandering begint met “inzicht”. (1) Het is goed om het niet altijd te hebben over de situatie van de cliënt. Praat over de modellen en inzichten die je als hulpverlener gebruikt om de situatie van de cliënt te begrijpen en de problemen aan te pakken. Met andere woorden, leg aan de cliënt uit wat leergeschiedenissen zijn, hoe het brein leert uit deze leergeschiedenissen en hoe het pijnlijke emoties tracht te vermijden. Het (probleem?)gedrag van de cliënt is een manier om deze pijnlijke emoties te vermijden. Zo ontstaat er een zekere opluchting bij de cliënt omdat hij zijn eigen gedrag, waarvan hij rationeel weet dat het contraproductief is, begrijpt. En hij ook weet dat jij hem begrijpt. Dat is de kiem van de productieve hulpverleningsrelatie. (2) Daarna kan met deze bril op, de leergeschiedenis van de cliënt uitgewerkt worden. De cliënt tekent op een tijdslijn de hoogtepunten en de laagtepunten in zijn leergeschiedenis uit met, bijvoorbeeld, rode en groene bollen. Er wordt stapsgewijs inzicht opgebouwd in het verband tussen leergeschiedenis en de contraproductieve weerstand van de cliënt. De vraag “wat heeft jouw brein geleerd uit deze geschiedenis?” zet de cliënt op het spoor van het verband. Misbruik, emotioneel tekort, afhankelijkheid, zwakke zelfcontrole, zich ondergeschikt opstellen, … het zijn allemaal mogelijke lessen die het brein van de cliënt getrokken heeft uit die specifieke leergeschiedenis. En, dat is de hoeksteen, de weerstand van de cliënt kan worden begrepen als een manier om een herhaling van de leergeschiedenis te vermijden. Voor cliënt en hulpverlener is dit een onmisbare schakel omdat de cliënt zich begrepen voelt, de hulpverleners de cliënt begrijpen én (!) aan andere hulpverleners (inclusief de verwijzende instantie en een Jeugdrechter) kan uitgelegd worden waarom de cliënt doet wat hij doet.

Stap 2: Motivatie

Dit is het vliegwiel van de intrinsieke motivatie. De weerstand (of eerder de beperkte intrinsieke motivatie) wordt mee ingecalculeerd als een onderdeel van de hulpverlening. Het probleem is geen probleem meer omdat het deel uitmaakt van de hulpverlening. Per slot van rekening past de cliënt zijn vermijdende gedragsstrategie niet enkel toe in de hulpverlening, maar in zijn leven in het algemeen. Daarom wordt de gedragsstrategie uitgebreid gekoppeld aan de huidige levenssituatie van de cliënt en de manier waarop de cliënt met zijn vermijdende gedragsstrategie zijn levenskwaliteit en de levenskwaliteit van de andere gezinsleden negatief beïnvloedt. Weerstand of een gebrek aan intrinsieke motivatie wordt op die manier een gedrag waarmee de cliënt zichzelf en de personen voor wie hij verantwoordelijk is negatief beïnvloedt. De cliënt, met een leergeschiedenis van beschaamd vertrouwen die afstand inbouwt ten aanzien van de hulpverlener, zal afstand inbouwen ten aanzien van mensen in het algemeen waardoor hij een beperkt sociaal netwerk heeft, hij weinig steun krijgt, hij problemen moeilijk duurzaam kan oplossen, in de problemen komt en steeds opnieuw zal leren dat anderen niet te vertrouwen zijn. Met als pijnlijk resultaat dat een volgende generatie, de kinderen in dit geval, opgroeien in een situatie waarin ook zij op hun beurt leren dat anderen niet te vertrouwen zijn. Het wantrouwen wordt doorgegeven aan de volgende generatie. Maar als de hulpverlener deze spiraal met de cliënt blootlegt, dan ontstaat er vrijheid om aan deze situatie te ontsnappen. De hulpverleners kunnen dan de vraag stellen: “Wil jij een einde maken aan deze negatieve spiraal die ook jouw kinderen dreigt te infecteren?”.  Zo ja, dan ben ik de man of vrouw die jou zal helpen om deze spiraal te doorbreken! Die hulpverlener zal de eerste persoon zijn die de cliënt op dat vitale punt de hand reikt. Bovendien staan binnen het thema “beperkte intrinsieke motivatie” of het thema “weerstand” de hulpverleners niet meer tegenover de cliënt, maar naast de cliënt. De verhouding tussen de hulpverleners en de cliënt werd omgebogen en er ontstaat voor de cliënt “hoop” op een beter leven en dat is het begin van een duurzame alliantie die effectieve hulpverlening nodig heeft. Geen cliënt zal de hand, die hem helpt een beter leven geeft, wegduwen. Er is instemming.

Stap 3: Verandering

Inzicht en motivatie zijn nog geen garantie op verandering. Al vormen ze een stevig fundament waarop de verandering kan worden gebouwd. Er is een voelbaar effect nodig om de cliënt intrinsiek gemotiveerd te houden en dat effect begint bij de gedragsverandering van de cliënt zelf. Het komt erop aan om, in de hulpverlening technische betekenis van het woord, met de cliënt een situatie te plannen waarin voor het eerst zijn leergeschiedenis wordt tegengesproken. In het geval van de cliënt, die leerde dat anderen het vertrouwen beschamen, zal een situatie moeten worden gecreëerd waarin de cliënt leert dat anderen wél te vertrouwen zijn. En niet omwille van het gedrag van anderen, maar omwille van het veranderde gedrag van de cliënt zelf waardoor hij het verband tussen veranderd gedrag en vertrouwen ervaart. Met een situationele gedragsanalyse (Situatie, Doel, Acties en Resultaat) wordt er uitgevlooid met welk gedrag de cliënt een situatie vorm geeft waarin hij zijn leergeschiedenis herbevestigt. De acties zijn cruciaal omdat ze het oude gedrag helder beschrijven. Als het oude gedrag scherp gesteld is kan er nieuw gedrag worden beschreven in de vorm van aan te leren sociale vaardigheden die de negatieve spiraal zullen doorbreken. Ze worden uitgeschreven, concreet gemaakt en vooraf ingeoefend met de hulpverleners. Maar met het inoefenen is het gedrag nog niet veranderd.

Stap 4: Zelfobservatie, zelfevaluatie en zelfverbetering

De cliënt verdient krediet omdat gedrag zich niet onmiddellijk laat bijsturen, maar wél door middel van permanent leren. Dat leren komt tot stand in een permanent toepassing van de acties waarin de cliënt zichzelf observeert, evalueert en bijstuurt. Hij past de gedragsafspraken toe in een situatie waaraan een doel wordt gekoppeld dat de levenskwaliteit van de cliënt en de personen voor wie hij verantwoordelijk is verbetert. Bijvoorbeeld, de cliënt met een leergeschiedenis van beschaamd vertrouwen zal met zijn nieuw gedrag wél mensen toegang moeten geven en zichzelf stapsgewijs moeten openstellen om structureel iets te veranderen. Het doel is ervaren dat vertrouwen schenken mogelijkheden oplevert, het probleemoplossend vermogen vergroot om zichzelf daarmee concreet vooruit te helpen. Daarom is er een permanente cyclus van zelfobservatie, zelfevaluatie en zelfbijsturing nodig die de hulpverlener levendig houdt met gerichte vragen. Wat was de situatie? Wat was jouw doel in die situatie? Welke stappen heb je gezet? De stappen worden overlopen. Ieder gezette stap is een succes. Een mislukte stap is een leerkans waarin de hulpverlener vraagt: “Wat kan je een volgende maal anders doen? Wie kan je helpen om een volgende stap te zetten? Wat kan je helpen om een volgende stap te zetten? …”. Cliënt en hulpverleners zoeken naar alternatieve acties die het doel dichterbij brengen. Ieder gesprek vertrekt vanuit hetzelfde stramien dat de zelfregie van de cliënt versterkt. De cliënt wiens leergeschiedenis bestaat uit het beschamen van het vertrouwen zal zich niet onmiddellijk kunnen openstellen voor nieuwe contacten. Hij zal bovendien geneigd zijn om tegenvallende contacten te interpreteren als een herbevestiging van het feit dat mensen zijn vertrouwen beschamen. De hulpverleners zullen binnen het leerproces de moeilijkheden die de cliënt ervaart moeten normaliseren en, gelijktijdig, de interpretatie van de cliënt moeten normaliseren als een dysfunctioneel resultaat van zijn leergeschiedenis. Kwestie van de cliënt permanent te motiveren om zijn acties aan te passen en het resultaat pragmatisch te evalueren. Maar de zelfobservatie, zelfevaluatie en zelfbijsturing op het niveau van de acties leren de cliënt dat hij stapsgewijs dé controle kan vergroten op een situatie die hem vroeger zou benauwd hebben en hem uiteindelijk helpen om te komen tot een resultaat dat zijn levenskwaliteit vergroot. De situatie verandert en de vaardigheden en het zelfvertrouwen groeien.

Randvoorwaarde

De randvoorwaarde is dat hulpverleners vertrekken vanuit een visie die een duidelijk onderscheid maakt tussen symptoom en werkelijk probleem. In heel veel de gevallen is het aanmeldingsprobleem een symptoom van een situatie die historisch zichzelf, omwille van een gedrag dat gedurende een leergeschiedenis werd aangeleerd, in negatieve zin verder heeft uitgediept. Waardoor na verloop van tijd ingrijpende hulpverlening de enige oplossing bleek te zijn. Met andere woorden, het heeft geen enkele zin om zich hard en normatief op te stellen ten aanzien van de symptomatische aanmeldingsklacht zonder dat de leergeschiedenis en de fijne nuances van de globale probleemsituatie mee in rekening worden genomen. Een normatieve houding versterkt de extrinsieke motivatie van de cliënt en zal de dysfunctionele weerstand of de gebrekkige intrinsieke motivatie enkel maar versterken. Het einde van die rit kennen we en dat is de spreekwoordelijke “stok achter de deur” die de laatste intrinsieke motivatie uit de cliënt ranselt. Dat is een doodlopende straat. Het is veel productiever om de levenskwaliteit van de cliënt en de andere mensen waarvoor hij verantwoordelijk is te koppelen aan de dysfunctionele weerstad, die we kunnen begrijpen, maar de cliënt verder beschadigt. De cliënt is zijn eigen vijand en niet de hulpverlening. Daarom is het cruciaal om de normatieve visie te verlaten en te vertrekken vanuit de effecten van de dysfunctionele weerstand op de kwaliteit van de eigen leefsituatie. Op dat moment wordt de zelfregie van de cliënt optimaal versterkt met de vraag: “Beste cliënt, kies jij voor beterschap?”.  Zo ja, dan zal ik jou helpen om met vallen en opstaan te komen tot beterschap! Het uitgangspunt zijn de gevolgen, uitgedrukt in vooruit- of achteruitgang, die de hulpverlener inbrengt om de cliënt steeds opnieuw diezelfde keuze te laten maken: “Beste cliënt, kies jij voor beterschap?”.  Zo ja, dan zal ik jou helpen om met vallen en opstaan te komen tot beterschap. Het is een tipping point, dat kleine schijnbaar onzichtbare moment waarop de cliënt leert dat die kleine stap moet worden gezet omwille van zichzelf en niet omwille van iemand anders. En dat die kleine stap leidt tot het zetten van andere stappen die hem laten ervaren dat hij zijn eigen geschiedenis kan veranderen, zelfs overschrijven.

Opleiding

We worden allemaal, als hulpverleners, geconfronteerd met cliënten die weinig of zelfs niet gemotiveerd zijn. Met andere woorden, we hebben er allemaal baat bij om dit fenomeen productief te kunnen ombuigen omdat een beperkte motivatie of zelfs weerstand een gewoon onderdeel is van de hulpverlening waarmee we moeten omgaan. Eenvoudigweg weg omdat onze cliënten omwille van de wisselwerking tussen aanleg en geschiedenis geworden zijn wie ze zijn. Dat is het uitgangspunt van de hulpverlening. Gedurende een tweedaagse opleiding geeft Vialogos – Gedeelde Zorg, in samenwerking met Informant VZW, hulpverleners inzicht en de nodige vaardigheden mee om een beperkte motivatie en weerstand samen met de cliënt te begrijpen, de relevantie van verandering tastbaar te maken en om te buigen naar een constructieve situatie die beterschap inhoudt voor alle betrokkenen. Het is een combinatie van eenvoudige theorie en concrete technieken en handvatten die onmiddellijk bruikbaar zijn in de hulpverlening.

Voor meer informatie: 0492 – 72 48 15

By |2017-12-03T21:20:39+00:00december 3rd, 2017|Blog, Nieuws|Reacties uitgeschakeld voor Dat vreemde ding “motivatie” genaamd